Whyte Opinion – L’Echo April 2010

Whyte Opinion – L’Echo March 2010
March 10, 2010
Press Release 19/04/2010
April 19, 2010

If informative or investigative programmes depart from their prime "raison d’être", this can only lead to a curtailment of media-corporate relations.


pr-100416-linformation-nest-pas-un-spectacle-sa-1

Information is not entertainment

Sandrine Agie – Partner at Whyte Corporate Affairs, April 2010

“If informative or investigative programmes depart from their prime raison d’être, this can only lead to a curtailment of media-corporate relations.” 

A code of practice for media professionals and ethics surrounding the communication of information may be a hackneyed subject, but it has surfaced once again in the news in recent weeks. Firstly, in France there have been the rumours about the alleged infidelities of the Sarkozys, demonstrating yet again that certain media organisations give precedence to scoops and sensationalism over verified information. A mere rumour was taken as legit when it was posted on a blog hosted on the website of the “Journal du Dimanche”, a reputable Sunday newspaper, and then published by various media bodies, first abroad and then in France. We all know that rumours run wild on the Internet, but the general public does at least partly understand that “information” circulating on the web originates from the author of that information only and that there is no guarantee of authenticity.

This doesn’t mean that we shouldn’t look into Internet ethics, and the recent cases of sanctions imposed on school children for slander of their school mates or teachers on Facebook show that a certain public awareness is appearing.

But the fact remains that the Internet is in essence a space for freedom of expression that is hard to control. Most Internet users, even those avid for juicy information, know how to decode what they learn on the Internet and put its informative value into perspective.

TOO MUCH PRESSURE

The same does not apply to the traditional media which has a responsibility linked to its impact, legitimacy and status. The absolute golden rule of journalism is to check facts and confirm sources before distributing information. Unfortunately, competition in the media and pressure from the Internet increasingly push editorial staff to disregard this principle and send out information from unconfirmed sources in order to get in there faster. In their defence it must be said that the economic problems the media is experiencing, in particular the written press, has led to a reduction in journalist numbers. This means that each journalist has to cover an ever increasing number of subject areas and provide more papers. Under these conditions it is difficult to comply with the traditional professional code of ethics, although this explanation is not an adequate excuse.

Also inappropriate, and even less excusable since it is not justified by the same economic problems, is the growing tendency for investigative TV shows to operate at the limits of accepted ethics.

These programmes are becoming increasingly “scripted” and are concocted for entertainment purposes, or even as reality shows, to hook the viewer: suspense, shock images, staging similar to techniques for fiction, personification of information by focusing overmuch on the commentator, etc. “Questions a la Une” is one example of this dangerous downhill drift and the show on 24th March was evidence that relations between companies and the broadcasting team were difficult. You may recall that the programme focused among others on Dexia and more precisely on the structured credits that the bank may have recommended to municipalities. The bank reacted strongly the day after the programme was broadcast, denouncing the “amalgams” and stating that it has provided answers to RTBF, contrary to what was stated in the televised report. We don’t know the in-depth details of the affair, but it is nevertheless of concern.

The programme tends to adopt, even virtually admits to adopting a point of view from the outset, with a pre-prepared “storyboard” to suit the story to be told. The interviews and explanations given by the people questioned are only used in so far as they fit in with the planned scenario. It is difficult, or even impossible, to shift the emphasis of the report once in motion or to get any balanced treatment of the subject.

BREAKING TRUST

This poses an issue of conscience for those responsible for communication in the companies or institutions targeted: should they agree to take part in the programme or not? Although until recently the answer tended to be positive, in the name of a desire for dialogue, a relationship of trust and transparency with the media, an increasing number of communicators are now considering refusal. Indeed, what is the point of taking part if you can’t rely on minimum guarantees as regards fair treatment of information? Taking part in a media trial without the possibility of stating arguments in one’s defence is counterproductive and pointless. Relations between journalist and interviewee should take place in a sufficient climate of trust so that the person or company interviewed is sure that the rules of the game will be honoured.

If informative or investigative programmes depart from their prime raison d’être, which is to inform in a fair and impartial manner, and end up becoming similar to entertainment shows, this poses a serious ethical issue and can only lead to a curtailment of media-corporate relations. This would be a shame in a country of consensus and dialogue.

Informatie is geen show

Sandrine Agie – Partner at Whyte Corporate Affairs, April 2010

“Wanneer informatie- of inderzoeksprogramma’s hun voornaamte bestaansreden uit het oog verliezen, leidt dit onvermijdelijk tot spanningen in de relaties tussen de media en de bedrijfswereld.”

Mediadeontologie en informatie-ethiek: misschien is het onderwerp wat afgezaagd, maar de jongste weken was het toch weer brandend actueel. Eerst waren er in Frankrijk de geruchten over huwelijksperikelen bij het echtpaar Sarkozy, die nog maar eens aantoonden dat sommige media het eerder van scoops en sensatie moeten hebben dan van gecontroleerde informatie. Maar dat gerucht – want meer was het niet – krijgt plots gewicht omdat een blog op de website van de “Journal du Dimanche”, een bekende zondagskrant, het oppikt en het daarna wordt overgenomen door andere media, eerst in het buitenland en daarna in Frankrijk. Iedereen weet dat het internet een poel van geruchten is, maar het publiek beseft toch in zekere mate dat de “informatie” die op het net circuleert alleen voor rekening is van de verspreider ervan, zonder enige garantie wat de authenticiteit van de inhoud betreft.

Dat betekent niet dat over internetethiek niet moet worden nagedacht. De recente gevallen van leerlingen die sancties kregen voor laster tegen klasgenoten of leerkrachten op Facebook tonen trouwens aan dat er een zekere bewustwording aan de gang is.

Maar het internet is en blijft nu eenmaal een moeilijk te controleren platform van vrije meningsuiting. De meeste surfers zijn zelf verzot op pikante weetjes, maar zijn in staat om wat zij op het internet lezen te ontcijferen en de informatiewaarde ervan te relativeren.

TE VEEL DRUK

Dat geldt echter niet voor de klassieke media die, door de impact die zij hebben, hun legitimiteit en hun statuut, een verantwoordelijkheid dragen. De gulden basisregel voor journalistiek is feiten toetsen, bronnen natrekken alvorens nieuws te verspreiden. Jammer genoeg zetten de concurrentie tussen de media en de druk van het internet steeds meer redacties ertoe aan om van dit principe af te wijken en, in hun drang om korter op de bal te spelen, niet geverifieerde berichten de wereld in te sturen. Als excuus kunnen ze natuurlijk de hachelijke financiële situatie aanhalen waarin de media, en dan vooral de geschreven pers verkeren, waardoor zij moeten snoeien in het aantal journalisten op de redactie. Elke journalist krijgt dus steeds meer vakgebieden te coveren en moet meer inhoud afleveren. In die omstandigheden wordt het moeilijk om de klassieke deontologische regels te respecteren, maar deze verklaring is, geen afdoende reden.

Een andere, nog minder vergeefbare uitwas – want niet ingegeven door diezelfde economische factoren – is de neiging van onderzoeksprogramma’s om steeds vaker te flirten met de grenzen van het ethisch aanvaardbare.

Die uitzendingen lopen almaar vaker volgens een “scenario” en nemen de recepten over van entertainmentprogramma’s, zelfs van reality-tv, om de kijker aan het scherm te kluisteren: spanning, schokkende beelden, een regie die verdacht veel lijkt op die van fictie, verpersoonlijking van de informatie door de journalist meer in beeld te brengen…

“Questions à la une” (RTBF) is een voorbeeld van die gevaarlijke trend. De uitzending van 24 maart toonde nog maar eens hoe moeilijk de relaties tussen bedrijven en tv-zenders liggen. Om het geheugen even op te frissen: de uitzending ging over Dexia, meer bepaald over gestructureerde kredieten die de bank zou hebben aanbevolen bij de gemeenten. De dag na de uitzending reageerde de bank scherp, en laakte de manier waarop de programmamakers “alles op een hoopje hadden gegooid” en stelde dat hij wel degelijk antwoorden had gegeven aan de RTBF, in tegenstelling tot wat in de reportage werd beweerd. Wij weten het fijne niet van dit dossier, maar het doet toch vragen rijzen.

Het programma heeft de neiging om van bij het begin bijna openlijk een standpunt in te nemen, met een “story board” dat vooraf is opgemaakt, afhankelijk van het verhaal dat moet worden gebracht. Interviews en uitleg van gesprekspartners worden slechts gebruikt voor zover zij passen in het geplande scenario. Het wordt moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk om een reportage tijdens de opnames nog een andere richting uit te sturen of zelfs maar een evenwichtige behandeling te krijgen van het onderwerp.

VERTROUWENSBREUK

Voor communicatieverantwoordelijken bij bedrijven of instellingen die het onderwerp vormen van een dergelijke uitzending stelt zich een gewetensprobleem: moeten zij meewerken aan die uitzending of niet? Tot voor kort was het antwoord meestal ja, in naam van de bereidheid tot dialoog, van de vertrouwensrelatie en van transparantie voor de media. Maar nu zijn steeds meer communicatoren geneigd te weigeren. Want waarom zouden zij meewerken indien zij geen minimale garantie krijgen dat de informatie correct zal worden verwerkt? Deel uitmaken van een mediagebeuren zonder de kans te krijgen om argumenten ter verdediging aan te voeren, is contraproductief en zinloos. In de relatie tussen een journalist en zijn gesprekspartner moet voldoende vertrouwen heersen opdat de geïnterviewde of de betrokken onderneming er zeker van kan zijn dat het spel eerlijk zal worden gespeeld.

Indien informatie- of onderzoeksuitzendingen voeling verliezen met hun belangrijkste bestaansreden, namelijk correct en onpartijdig informeren, en zich als een soort entertainmentprogramma gaan aankleden, ontstaat een ernstig deontologisch probleem. Dit kan niet anders dan de relaties tussen pers en bedrijfswereld verzuren. En dat zou jammer zijn, in een land van consensus en dialoog.

Comments are closed.